Moeder Terminologie

balloon-white-1
star-white
duck-white
Moeder Terminologie

Terminologie gerelateerd aan Moeder

De terminologie gerelateerd aan moeders omvat alle woorden, begrippen en uitdrukkingen die te maken hebben met het moederschap en alles wat daarbij hoort. Denk hierbij aan onderwerpen zoals zwangerschap, bevalling, opvoeding, gezondheid, emotionele ondersteuning en de rol van moeders in het gezin en de samenleving. Deze begrippen helpen om een duidelijker beeld te krijgen van de verantwoordelijkheden, uitdagingen en vreugden die bij het moederschap horen.

Daarnaast weerspiegelt deze terminologie ook de culturele, sociale en psychologische betekenissen die aan moeders worden toegekend. Door deze termen te begrijpen en te gebruiken, wordt het eenvoudiger om te praten over de diverse aspecten van het moederschap en de invloed ervan op het dagelijks leven. Zo ontstaat er meer begrip en waardering voor de unieke positie van moeders in verschillende contexten.

Onze missie: Om moeders te ondersteunen, inspireren en verbinden. We willen een toegankelijke en betrouwbare bron bieden voor praktische tips, waardevolle inzichten en herkenbare verhalen over opvoeding, gezondheid, carrière en lifestyle.

Zwangerschap

Hier vindt u informatie per trimester, symptomen, voeding, gezondheidscontroles en mogelijke complicaties.

Zwangers chapskalender

De zwangerschapskalender geeft je een duidelijk overzicht van elke fase, van de eerste week tot de laatste maand.

Pasgeboren baby

Ontdek tips, verzorgingsadviezen en wat je kunt verwachten in de eerste weken na de geboorte.

Ontwikkeling baby

Elke maand brengt nieuwe wonderen! Volg de ontwikkeling van je baby, van zijn eerste glimlach tot zijn eerste stapjes.

heart-orange-2
Moeder Terminologie

Sleutel tot Effectieve Communicatie

Versterk je communicatie door moeder terminologie te begrijpen. Ontdek de betekenis en het belang voor warme, heldere gesprekken. Bij MoederMagazine willen we deze wereld toegankelijk maken door de terminologie rondom het moederschap helder uit te leggen. Van alledaagse woorden tot gespecialiseerde termen uit opvoeding, gezondheid en psychologie, het begrijpen van de juiste terminologie helpt moeders, ouders en verzorgers om beter geïnformeerde keuzes te maken.

Zwangerschap

  1. Amenorroe – Het uitblijven van de menstruatie, vaak het eerste teken van zwangerschap.
  2. Trimester – Een periode van drie maanden tijdens de zwangerschap. De zwangerschap bestaat uit drie trimesters.
  3. Echo (Echografie) – Een onderzoek waarbij met geluidsgolven beelden van de baby in de baarmoeder worden gemaakt.
  4. 20-weken echo – Belangrijke echo waarbij de anatomie van de baby uitgebreid wordt gecontroleerd.
  5. Vruchtwaterpunctie – Medisch onderzoek waarbij vruchtwater wordt afgenomen om de gezondheid van de baby te controleren.
  6. Weeën – Samentrekkingen van de baarmoeder die zorgen voor ontsluiting en uitdrijving tijdens de bevalling.
  7. Bevallen a terme – Een baby geboren tussen week 37 en 42 van de zwangerschap, op tijd.
  8. Uitgerekende datum – De geschatte datum waarop de baby geboren zal worden, ongeveer 40 weken na de eerste dag van de laatste menstruatie.
  9. Colostrum – De eerste moedermelk, rijk aan antistoffen en voedingsstoffen, geproduceerd kort na de geboorte.
  10. Braxton Hicks contracties – Oefenweeën die de baarmoeder voorbereidt op de bevalling, meestal pijnloos.
  11. Hyperemesis gravidarum – Extreme ochtendmisselijkheid tijdens zwangerschap die kan leiden tot uitdroging.
  12. Foetus – De ongeboren baby vanaf de 9e week van de zwangerschap tot aan de geboorte.
  13. Embryo – De ongeboren baby in de eerste 8 weken van de zwangerschap.
  14. Placenta (moederkoek) – Het orgaan dat zich tijdens zwangerschap ontwikkelt en voedingsstoffen en zuurstof naar de baby transporteert.
  15. Navelstreng – De verbinding tussen de baby en de placenta, transporteert voedingsstoffen en zuurstof.
Moeder Terminologie - Zwangerschap

Bevalling

  1. Ontsluiting – Het openen van de baarmoedermond tijdens de bevalling, gemeten in centimeters (volledig is 10 cm).
  2. Persweeën – Krachtige weeën in de laatste fase van de bevalling waarbij de baby naar buiten wordt geduwd.
  3. Keizersnede (sectio caesarea) – Een operatieve bevalling waarbij de baby via een snede in de buik wordt gehaald.
  4. Vacuümextractie – Bevalling waarbij een zuignap op het hoofdje van de baby wordt geplaatst om te helpen trekken.
  5. Tang (forceps) – Medisch instrument dat wordt gebruikt om de baby tijdens de bevalling te helpen.
  6. Epidurale pijnstilling (ruggenprik) – Pijnbestrijding tijdens bevalling via een injectie in de rug.
  7. Geboortekrukje – Een laag krukje dat gebruikt wordt tijdens bevalling in zittende positie.
  8. Thuisbevalling – Bevalling in de eigen woning onder begeleiding van een verloskundige.
  9. Poliklinische bevalling – Korte ziekenhuisopname waarbij je binnen enkele uren na bevalling naar huis gaat.
  10. Nageboorte – Het uitdrijven van de placenta na de geboorte van de baby.
  11. Dammassage – Massage van het gebied tussen vagina en anus om scheuren tijdens bevalling te voorkomen.
  12. Liggingstermijn – De positie van de baby in de baarmoeder vlak voor de bevalling (hoofd-, stuit- of dwarsligging).
  13. Inleiden – Het kunstmatig op gang brengen van de bevalling met medicatie.
  14. Vliezen breken – Het openbarsten van de vruchtwaterzak, vaak een teken dat de bevalling begint.
  15. Apgar-score – Een test die direct na de geboorte wordt uitgevoerd om de conditie van de baby te beoordelen (0-10 punten).

Kinderontwikkeling 0-12 maanden

  1. Motorische ontwikkeling – De ontwikkeling van bewegingen en lichaamsbeheersing bij een baby.
  2. Grijpreflex – Aangeboren reflex waarbij een baby automatisch vastgrijpt wat in zijn handje komt.
  3. Zuigreflex – Automatische beweging waarbij een baby zuigt op alles wat zijn mond raakt.
  4. Kruipen – Voortbewegen op handen en knieën, meestal rond 8-10 maanden.
  5. Brabbelen – Het maken van herhaalde klanken zoals “ba-ba” of “da-da”, vanaf ongeveer 6 maanden.
  6. Knijpgrijpen – Het vasthouden van voorwerpen tussen duim en wijsvinger, ontwikkelt rond 9-12 maanden.
  7. Hoofdcontrole – Het zelfstandig omhoog kunnen houden van het hoofdje, meestal vanaf 3-4 maanden.
  8. Omrollen – Van rug naar buik of andersom kunnen rollen, meestal vanaf 4-6 maanden.
  9. Zitten – Zelfstandig rechtop kunnen zitten zonder ondersteuning, meestal rond 6-8 maanden.
  10. Staan met steun – Rechtop staan terwijl je je vasthoudt aan meubilair, meestal rond 9-10 maanden.
  11. Eerste stapjes – De eerste zelfstandige stappen, meestal tussen 10-15 maanden.
  12. Object permanentie – Het besef dat voorwerpen blijven bestaan ook als je ze niet ziet, ontwikkelt rond 8-9 maanden.
  13. Hechting – De emotionele band tussen baby en verzorger, cruciaal voor ontwikkeling.
  14. Vreemdelingangst – Angstige reactie op onbekende mensen, normaal vanaf ongeveer 6-8 maanden.
  15. Groeisprong – Periode waarin een baby een grote ontwikkelingsstap maakt, vaak met onrust gepaard.
  16. Buikliggen (tummy time) – Baby op de buik laten liggen om nek- en schoudermusculatuur te versterken.
  17. Handvoorkeur – Voorkeur voor links- of rechtshandig, wordt vaak duidelijk na het eerste jaar.
  18. Sociale glimlach – Bewust glimlachen als reactie op anderen, ontwikkelt rond 6-8 weken.
  19. Eerste woordje – Eerste betekenisvolle woord, meestal “mama” of “papa”, rond 10-14 maanden.
  20. Fijne motoriek – Precieze bewegingen met vingers en handen, zoals pakken en vasthou den.
Moeder Terminologie - Kinderontwikkeling 0-12 maanden

Ontwikkeling van peuters van 1-4 jaar

  1. Autonomiefase (terrible twos) – Ontwikkelingsfase rond 2 jaar waarbij peuters grenzen verkennen en zelfstandig willen zijn.
  2. Taalontwikkeling – Het leren begrijpen en gebruiken van taal, verloopt in fasen.
  3. Woordenschatexplosie – Snelle toename van het aantal woorden dat een kind kent, meestal rond 18-24 maanden.
  4. Tweewoordzinnen – Zinnen van twee woorden zoals “mama weg”, ontwikkelt rond 18-24 maanden.
  5. Zindelijkheid – Het leren gebruiken van het toilet of potje in plaats van een luier.
  6. Zindelijkheidstraining – Het proces van leren zindelijk worden, meestal tussen 2-3 jaar.
  7. Droge nachten – ’s Nachts geen luier meer nodig hebben, komt meestal na dagzindelijkheid.
  8. Fantasiespel – Doen-alsof spelletjes waarbij kinderen situaties naspelen, vanaf ongeveer 2 jaar.
  9. Parallel spelen – Naast elkaar spelen zonder echte interactie, typisch voor 2-3 jarigen.
  10. Sociaal spelen – Samen spelen met interactie en samenwerking, ontwikkelt vanaf 3-4 jaar.
  11. Emotieregulatie – Het leren beheersen en uiten van emoties op een gepaste manier.
  12. Driftbuien (tantrums) – Heftige emotionele uitbarstingen, normaal in de peuterfase.
  13. Grove motoriek – Grote bewegingen zoals rennen, springen en klimmen.
  14. Cognitieve ontwikkeling – Ontwikkeling van denken, geheugen, aandacht en probleemoplossing.
  15. Voorlezen – Het voorlezen van verhalen, belangrijk voor taalontwikkeling en binding.

Gezondheid

  1. Vaccinatieprogramma (Rijksvaccinatieprogramma) – Schema met inentingen tegen ernstige ziektes, aangeboden door de overheid.
  2. Zuigelingensterfte – Het overlijden van een baby in het eerste levensjaar.
  3. Wiegendood (SIDS) – Plotselinge, onverklaarbare dood van een gezonde baby tijdens de slaap.
  4. Reflux – Het terugvloeien van maaginhoud naar de slokdarm, kan overgeven bij baby’s veroorzaken.
  5. Kraambed – De periode van 6-8 weken na de bevalling waarin het lichaam herstelt.
  6. Kraamzorg – Professionele zorg en ondersteuning thuis in de eerste dagen na de bevalling.
  7. Navelstrengtje – Restant van de navelstreng dat na enkele weken afvalt.
  8. Geelzucht – Gele verkleuring van huid en ogen bij pasgeboren baby’s door te veel bilirubine.
  9. Baarmoederhals – Het onderste deel van de baarmoeder dat opent tijdens de bevalling.
  10. Postnatale depressie (postpartum depressie) – Depressieve klachten na de bevalling die langer dan twee weken aanhouden.
  11. Babyblueslues – Lichte stemmingsdaling kort na de bevalling, gaat meestal vanzelf over.
  12. Borstontsteking (mastitis) – Pijnlijke ontsteking in de borst tijdens het geven van borstvoeding.
  13. Tandjes krijgen – Proces waarbij de eerste melktandjes doorkomen, meestal vanaf 6 maanden.
  14. Luieruitslag – Huidirritatie in het luiergebied door vocht en wrijving.
  15. Consultatiebureau – Plek waar baby’s en peuters regelmatig worden gevolgd voor groei en ontwikkeling.

Voeding

  1. Borstvoeding – Het voeden van een baby met moedermelk uit de borst.
  2. Flesvoeding – Het voeden van een baby met kunstvoeding uit een fles.
  3. Kunstvoeding (flesvoeding) – Babymelk die als alternatief voor moedermelk wordt gegeven.
  4. Bijvoeding – Vaste voeding die naast melkvoeding wordt gegeven, meestal vanaf 4-6 maanden.
  5. Hapjes – Vaste voeding in kleine porties, geschikt voor baby’s die beginnen met bijvoeding.
  6. Fingerfood – Kleine stukjes voedsel die een baby zelf kan vasthouden en eten.
  7. Baby-led weaning (BLW) – Methode waarbij baby’s zelf stukjes vast voedsel eten in plaats van gepureerd.
  8. Allergeen – Stof die een allergische reactie kan veroorzaken, zoals pinda’s of koemelk.
  9. IJzertekort – Te weinig ijzer in het bloed, kan leiden tot bloedarmoede.
  10. Voedingsschema – Planning van wanneer en wat een baby of peuter eet gedurende de dag.
Moeder Terminologie - Voeding

Opvoeding

  1. Positief opvoeden – Opvoedstijl gericht op aanmoediging, begrip en duidelijke grenzen in plaats van straffen.
  2. Grenzen stellen – Duidelijke regels en verwachtingen aangeven aan kinderen.
  3. Consequent zijn – Consistent blijven in regels en reacties, belangrijk voor duidelijkheid.
  4. Time-out – Korte pauze waarbij een kind apart zit om tot rust te komen na ongewenst gedrag.
  5. Opvoedstijl – De manier waarop ouders hun kinderen grootbrengen en begeleiden.
  6. Autoritatieve opvoeding – Opvoedstijl met warmte én duidelijke regels, beschouwd als meest effectief.
  7. Permissieve opvoeding – Toegeeflijke opvoedstijl met veel vrijheid en weinig regels.
  8. Autoritaire opvoeding – Strenge opvoedstijl met strikte regels en weinig ruimte voor inspraak.
  9. Attachment parenting – Opvoedfilosofie gericht op sterke emotionele band en responsief ouderschap.
  10. Quality time – Waardevolle, onverdeelde aandacht besteden aan je kind.
  11. Schermtijd – Tijd die kinderen besteden aan tablets, tv, telefoons en andere schermen.
  12. Bedtijdroutine – Vaste handelingen voor het slapengaan om kind te helpen ontspannen.
  13. Consequenties – Logische gevolgen van gedrag die kinderen helpen leren.
  14. Belonen – Positieve bekrachtiging van gewenst gedrag.
  15. Coouderschap – Samen opvoeden door gescheiden ouders.

Medische termen

  1. Verloskundige – Gespecialiseerde zorgverlener die zwangere vrouwen begeleidt.
  2. Gynaecoloog – Arts gespecialiseerd in zwangerschap, bevalling en vrouwelijke geslachtsorganen.
  3. Kinderarts (pediater) – Arts gespecialiseerd in de gezondheid van kinderen.
  4. Jeugdgezondheidszorg – Organisatie die groei, ontwikkeling en gezondheid van kinderen volgt.
  5. Prikken (vaccinatie) – Inenting om bescherming te bieden tegen ziektes.
  6. Huilbaby – Baby die excessief en onverklaarbaar huilt, vaak meer dan 3 uur per dag.
  7. Koliek (buikkrampjes) – Pijnlijke krampen in de buik, vaak bij jonge baby’s.
  8. Middeno oronststeking – Ontsteking van het middenoor, komt veel voor bij jonge kinderen.
  9. Pseudokroep – Ontsteking van de luchtpijp met blafhoest en moeite met ademhalen.
  10. Bof – Virusziekte met opgezwollen speekselklieren, te voorkomen met vaccinatie.
  11. Rode hond (rubella) – Virale infectie met rode uitslag, gevaarlijk tijdens zwangerschap.
  12. Waterpokken – Zeer besmettelijke virusziekte met jeukende blaasjes op de huid.
  13. Vijfde ziekte – Virale infectie met rode wangen en uitslag, meestal onschuldig.
  14. Hand-voet-mondziekte – Virusinfectie met blaasjes op handen, voeten en in de mond.
  15. Kinkhoest – Ernstige luchtweginfectie met hevige hoestbuien, te voorkomen met vaccinatie.
Moeder Terminologie - Medische termen
Voorlezen en Samen Lezen

Alle begrippen over zwangerschap, bevalling, baby’s en kinderen op één plek. Zoek snel de betekenis van termen die je tegenkomt als (aanstaande) ouder.

A

Aandachtstijd

Bewuste tijd die een moeder doorbrengt met haar kind(eren).

Adoptie

Het opnemen van een kind dat niet biologisch van de ouder is in het gezin.

Afscheidsrituelen

Momenten of tradities die moeders helpen bij het loslaten, bijvoorbeeld bij school of werk.

Allergeen

Stof die een allergische reactie kan veroorzaken, zoals pinda’s of koemelk.

Amenorroe

Het uitblijven van de menstruatie, vaak het eerste teken van zwangerschap.

Apgar-score

Een test die direct na de geboorte wordt uitgevoerd om de conditie van de baby te beoordelen (0-10 punten).

Attachment parenting

Opvoedfilosofie gericht op sterke emotionele band en responsief ouderschap.

Autoritaire opvoeding

Strenge opvoedstijl met strikte regels en weinig ruimte voor inspraak.

Autoritatieve opvoeding

Opvoedstijl met warmte én duidelijke regels, beschouwd als meest effectief.

Autonomiefase (terrible twos)

Ontwikkelingsfase rond 2 jaar waarbij peuters grenzen verkennen en zelfstandig willen zijn.


B

Baarmoederhals

Het onderste deel van de baarmoeder dat opent tijdens de bevalling.

Babyblueslues

Lichte stemmingsdaling kort na de bevalling, gaat meestal vanzelf over.

Babyfoon

Apparaat waarmee je je baby op afstand kunt horen of zien.

Baby-led weaning (BLW)

Methode waarbij baby’s zelf stukjes vast voedsel eten in plaats van gepureerd.

Babyuitzet

Alle spullen die je nodig hebt voor de komst van een baby.

Bedtijdroutine

Vaste handelingen voor het slapengaan om kind te helpen ontspannen.

Belonen

Positieve bekrachtiging van gewenst gedrag.

Bevallen a terme

Een baby geboren tussen week 37 en 42 van de zwangerschap, op tijd.

Bevallingsverlof

Wettelijke periode waarin moeders vrij krijgen rondom de bevalling.

Binding

Het emotionele proces van gehechtheid tussen moeder en kind.

Bijvoeding

Vaste voeding die naast melkvoeding wordt gegeven, meestal vanaf 4-6 maanden.

Bof

Virusziekte met opgezwollen speekselklieren, te voorkomen met vaccinatie.

Borstontsteking (mastitis)

Pijnlijke ontsteking in de borst tijdens het geven van borstvoeding.

Borstpomp

Apparaat om moedermelk af te kolven en te bewaren.

Borstvoeding

Het voeden van een baby met moedermelk uit de borst.

Box

Afgeschermd speelgebied waarin een baby veilig kan spelen.

Brabbelen

Het maken van herhaalde klanken zoals “ba-ba” of “da-da”, vanaf ongeveer 6 maanden.

Braxton Hicks contracties

Oefenweeën die de baarmoeder voorbereidt op de bevalling, meestal pijnloos.

Buikliggen (tummy time)

Baby op de buik laten liggen om nek- en schoudermusculatuur te versterken.


C

Cognitieve ontwikkeling

Ontwikkeling van denken, geheugen, aandacht en probleemoplossing.

Colostrum

De eerste moedermelk, rijk aan antistoffen en voedingsstoffen, geproduceerd kort na de geboorte.

Combinatie werk-gezin

Het balanceren van carrière en gezinsleven.

Consequenties

Logische gevolgen van gedrag die kinderen helpen leren.

Consequent zijn

Consistent blijven in regels en reacties, belangrijk voor duidelijkheid.

Consultatiebureau

Plek waar baby’s en peuters regelmatig worden gevolgd voor groei en ontwikkeling.

Coouderschap

Samen opvoeden door gescheiden ouders.


D

Dammassage

Massage van het gebied tussen vagina en anus om scheuren tijdens bevalling te voorkomen.

Dochterband

Specifieke band tussen moeder en dochter.

Draagdoek

Lange lap stof om een baby dicht tegen je lichaam te dragen.

Driftbuien (tantrums)

Heftige emotionele uitbarstingen, normaal in de peuterfase.

Droge nachten

’s Nachts geen luier meer nodig hebben, komt meestal na dagzindelijkheid.


E

Echo (Echografie)

Een onderzoek waarbij met geluidsgolven beelden van de baby in de baarmoeder worden gemaakt.

Embryo

De ongeboren baby in de eerste 8 weken van de zwangerschap.

Emotieregulatie

Het leren beheersen en uiten van emoties op een gepaste manier.

Epidurale pijnstilling (ruggenprik)

Pijnbestrijding tijdens bevalling via een injectie in de rug.

Eerste stapjes

De eerste zelfstandige stappen, meestal tussen 10-15 maanden.

Eerste woordje

Eerste betekenisvolle woord, meestal “mama” of “papa”, rond 10-14 maanden.

Ervaringsdeskundige moeder

Moeder die haar kennis of ervaring deelt met anderen.


F

Familieband

De relatie tussen moeder en andere familieleden.

Fantasiespel

Doen-alsof spelletjes waarbij kinderen situaties naspelen, vanaf ongeveer 2 jaar.

Fijne motoriek

Precieze bewegingen met vingers en handen, zoals pakken en vasthouden.

Fingerfood

Kleine stukjes voedsel die een baby zelf kan vasthouden en eten.

Flesvoeding

Het voeden van een baby met kunstvoeding uit een fles.

Foetus

De ongeboren baby vanaf de 9e week van de zwangerschap tot aan de geboorte.

Fopspeen

Speen om op te zuigen ter kalmering, niet voor voeding.


G

Geboortekrukje

Een laag krukje dat gebruikt wordt tijdens bevalling in zittende positie.

Geboorteplan

Persoonlijk plan waarin wensen rondom bevalling worden vastgelegd.

Geelzucht

Gele verkleuring van huid en ogen bij pasgeboren baby’s door te veel bilirubine.

Gezinsplanning

Bewuste keuze over het krijgen van kinderen.

Grenzen stellen

Duidelijke regels en verwachtingen aangeven aan kinderen.

Grijpreflex

Aangeboren reflex waarbij een baby automatisch vastgrijpt wat in zijn handje komt.

Groeisprong

Periode waarin een baby een grote ontwikkelingsstap maakt, vaak met onrust gepaard.

Grove motoriek

Grote bewegingen zoals rennen, springen en klimmen.

Gynaecoloog

Arts gespecialiseerd in zwangerschap, bevalling en vrouwelijke geslachtsorganen.


H

Hand-voet-mondziekte

Virusinfectie met blaasjes op handen, voeten en in de mond.

Handvoorkeur

Voorkeur voor links- of rechtshandig, wordt vaak duidelijk na het eerste jaar.

Hapjes

Vaste voeding in kleine porties, geschikt voor baby’s die beginnen met bijvoeding.

Hechting

De emotionele band tussen baby en verzorger, cruciaal voor ontwikkeling.

Hoofdcontrole

Het zelfstandig omhoog kunnen houden van het hoofdje, meestal vanaf 3-4 maanden.

Hormonale veranderingen

Lichamelijke en emotionele veranderingen bij moeders tijdens zwangerschap en kraamtijd.

Huilbaby

Baby die excessief en onverklaarbaar huilt, vaak meer dan 3 uur per dag.

Hyperemesis gravidarum

Extreme ochtendmisselijkheid tijdens zwangerschap die kan leiden tot uitdroging.


I

Identiteit als moeder

Hoe een vrouw haar rol als moeder beleeft en vormgeeft.

IJzertekort

Te weinig ijzer in het bloed, kan leiden tot bloedarmoede.

Inleiden

Het kunstmatig op gang brengen van de bevalling met medicatie.

Inbakeren

Het stevig inwikkelen van een baby voor rust en geborgenheid.


J

Jeugdgezondheidszorg

Organisatie die groei, ontwikkeling en gezondheid van kinderen volgt.

Jeugdzorg

Ondersteuning en begeleiding bij de opvoeding van kinderen.

Jong moederschap

Wanneer een vrouw op jonge leeftijd moeder wordt.


K

Keizersnede (sectio caesarea)

Een operatieve bevalling waarbij de baby via een snede in de buik wordt gehaald.

Kinderarts (pediater)

Arts gespecialiseerd in de gezondheid van kinderen.

Kinderopvang

Professionele opvang voor kinderen zodat ouders kunnen werken of studeren.

Kinderwagen

Vervoermiddel op wielen voor baby’s en peuters.

Kinkhoest

Ernstige luchtweginfectie met hevige hoestbuien, te voorkomen met vaccinatie.

Knijpgrijpen

Het vasthouden van voorwerpen tussen duim en wijsvinger, ontwikkelt rond 9-12 maanden.

Koliek (buikkrampjes)

Pijnlijke krampen in de buik, vaak bij jonge baby’s.

Kraambed

De periode van 6-8 weken na de bevalling waarin het lichaam herstelt.

Kraamzorg

Professionele zorg en ondersteuning thuis in de eerste dagen na de bevalling.

Kruipen

Voortbewegen op handen en knieën, meestal rond 8-10 maanden.

Kunstvoeding (flesvoeding)

Babymelk die als alternatief voor moedermelk wordt gegeven.


L

Lactatie

Het aanmaken van moedermelk.

Liggingstermijn

De positie van de baby in de baarmoeder vlak voor de bevalling (hoofd-, stuit- of dwarsligging).

Luierfase

De periode waarin een kind nog luiers draagt.

Luieruitslag

Huidirritatie in het luiergebied door vocht en wrijving.


M

Maxicosi

Autostoeltje voor baby’s van 0-12 maanden.

Mentale belasting

De verantwoordelijkheid en druk die moeders kunnen ervaren in gezin en werk.

Middenoorontsteking

Ontsteking van het middenoor, komt veel voor bij jonge kinderen.

Moederinstinct

Het natuurlijke zorg- en beschermingsgevoel van een moeder.

Motorische ontwikkeling

De ontwikkeling van bewegingen en lichaamsbeheersing bij een baby.


N

Nachtrust

Slaapgewoonten van moeder en kind, vaak verstoord in de eerste jaren.

Nageboorte

Het uitdrijven van de placenta na de geboorte van de baby.

Navelstreng

De verbinding tussen de baby en de placenta, transporteert voedingsstoffen en zuurstof.

Navelstrengtje

Restant van de navelstreng dat na enkele weken afvalt.


O

Object permanentie

Het besef dat voorwerpen blijven bestaan ook als je ze niet ziet, ontwikkelt rond 8-9 maanden.

Omrollen

Van rug naar buik of andersom kunnen rollen, meestal vanaf 4-6 maanden.

Ontsluiting

Het openen van de baarmoedermond tijdens de bevalling, gemeten in centimeters (volledig is 10 cm).

Ontzwangeren

Herstelperiode van het lichaam na zwangerschap.

Opvoedingsstijl

De manier waarop een moeder haar kind opvoedt.

Opvoedstijl

De manier waarop ouders hun kinderen grootbrengen en begeleiden.


P

Parallel spelen

Naast elkaar spelen zonder echte interactie, typisch voor 2-3 jarigen.

Partnerbetrokkenheid

De rol van de partner in opvoeding en huishouden.

Permissieve opvoeding

Toegeeflijke opvoedstijl met veel vrijheid en weinig regels.

Persweeën

Krachtige weeën in de laatste fase van de bevalling waarbij de baby naar buiten wordt geduwd.

Peuterpuberteit

Ontwikkelingsfase met driftbuien en meer autonomie bij peuters.

Placenta (moederkoek)

Het orgaan dat zich tijdens zwangerschap ontwikkelt en voedingsstoffen en zuurstof naar de baby transporteert.

Poliklinische bevalling

Korte ziekenhuisopname waarbij je binnen enkele uren na bevalling naar huis gaat.

Positief opvoeden

Opvoedstijl gericht op aanmoediging, begrip en duidelijke grenzen in plaats van straffen.

Postnatale depressie (postpartum depressie)

Depressieve klachten na de bevalling die langer dan twee weken aanhouden.

Prikken (vaccinatie)

Inenting om bescherming te bieden tegen ziektes.

Pseudokroep

Ontsteking van de luchtpijp met blafhoest en moeite met ademhalen.


Q

Quality time

Waardevolle, onverdeelde aandacht besteden aan je kind.


R

Reflux

Het terugvloeien van maaginhoud naar de slokdarm, kan overgeven bij baby’s veroorzaken.

Rode hond (rubella)

Virale infectie met rode uitslag, gevaarlijk tijdens zwangerschap.

Rolverdeling

Taken en verantwoordelijkheden tussen moeder en partner.

Rustmomenten

Pauzes voor fysieke en mentale gezondheid van de moeder.


S

Schermtijd

Tijd die kinderen besteden aan tablets, tv, telefoons en andere schermen.

Schoolkeuze

Het proces van het kiezen van onderwijs voor het kind.

Selfcare

Zelfzorgmomenten die belangrijk zijn voor moeders.

Sociale glimlach

Bewust glimlachen als reactie op anderen, ontwikkelt rond 6-8 weken.

Sociaal spelen

Samen spelen met interactie en samenwerking, ontwikkelt vanaf 3-4 jaar.

Staan met steun

Rechtop staan terwijl je je vasthoudt aan meubilair, meestal rond 9-10 maanden.


T

Taalontwikkeling

Het leren begrijpen en gebruiken van taal, verloopt in fasen.

Tandjes krijgen

Proces waarbij de eerste melktandjes doorkomen, meestal vanaf 6 maanden.

Tang (forceps)

Medisch instrument dat wordt gebruikt om de baby tijdens de bevalling te helpen.

Thuisbevalling

Bevalling in de eigen woning onder begeleiding van een verloskundige.

Thuisblijfmoeder

Moeder die ervoor kiest om (tijdelijk) niet buitenshuis te werken.

Time-out

Korte pauze waarbij een kind apart zit om tot rust te komen na ongewenst gedrag.

Trimester

Een periode van drie maanden tijdens de zwangerschap. De zwangerschap bestaat uit drie trimesters.

Tweelingmoederschap

Moeder zijn van een tweeling met bijbehorende uitdagingen.

Tweewoordzinnen

Zinnen van twee woorden zoals “mama weg”, ontwikkelt rond 18-24 maanden.


U

Uitbesteding

Taken zoals oppas of huishoudelijke hulp om balans te bewaren.

Uitgerekende datum

De geschatte datum waarop de baby geboren zal worden, ongeveer 40 weken na de eerste dag van de laatste menstruatie.

Uitslapen

Een luxe of noodzaak voor veel moeders om bij te komen van slaapgebrek.


V

Vaccinatieprogramma (Rijksvaccinatieprogramma)

Schema met inentingen tegen ernstige ziektes, aangeboden door de overheid.

Vacuümextractie

Bevalling waarbij een zuignap op het hoofdje van de baby wordt geplaatst om te helpen trekken.

Verlofregelingen

Wettelijke regelingen rondom ouderschaps- en bevallingsverlof.

Verloskundige

Gespecialiseerde zorgverlener die zwangere vrouwen begeleidt.

Vijfde ziekte

Virale infectie met rode wangen en uitslag, meestal onschuldig.

Vliezen breken

Het openbarsten van de vruchtwaterzak, vaak een teken dat de bevalling begint.

Voedingsschema

Planning van wanneer en wat een baby of peuter eet gedurende de dag.

Voorlezen

Het voorlezen van verhalen, belangrijk voor taalontwikkeling en binding.

Vreemdelingangst

Angstige reactie op onbekende mensen, normaal vanaf ongeveer 6-8 maanden.

Vruchtwaterpunctie

Medisch onderzoek waarbij vruchtwater wordt afgenomen om de gezondheid van de baby te controleren.


W

Waterpokken

Zeer besmettelijke virusziekte met jeukende blaasjes op de huid.

Weeën

Samentrekkingen van de baarmoeder die zorgen voor ontsluiting en uitdrijving tijdens de bevalling.

Weer aan het werk

Fase waarin moeders na verlof terugkeren naar werk.

Werkende moeder

Moeder die buitenshuis werkt naast haar zorgtaken.

Wiegendood (SIDS)

Plotselinge, onverklaarbare dood van een gezonde baby tijdens de slaap.

Wipstoeltje

Stoeltje waarin een baby kan wippen en ontspannen.

Woordenschatexplosie

Snelle toename van het aantal woorden dat een kind kent, meestal rond 18-24 maanden.


X

X-factor moeder

Unieke kwaliteiten of talenten die elke moeder bijzonder maken.


Y

Yoga voor moeders

Ontspannings- en herstelvorm gericht op fysieke en mentale balans.


Z

Zelfzorg

Actieve aandacht voor eigen gezondheid en welzijn.

Zindelijkheid

Het leren gebruiken van het toilet of potje in plaats van een luier.

Zindelijkheidstraining

Het proces van leren zindelijk worden, meestal tussen 2-3 jaar.

Zitten

Zelfstandig rechtop kunnen zitten zonder ondersteuning, meestal rond 6-8 maanden.

Zorginstinct

Aangeboren neiging om voor anderen te zorgen.

Zuigelingensterfte

Het overlijden van een baby in het eerste levensjaar.

Zuigreflex

Automatische beweging waarbij een baby zuigt op alles wat zijn mond raakt.

Inhoudsopgave